Dagboek

Al vanaf mijn vijftiende heb ik een dagboek. Daarvoor deed ik ook wel eens pogingen mijn zieleroerselen te beschrijven, maar pas op de middelbare werd dat serieus en hield ik vol. Niet elke dag, en soms maanden niet, maar altijd keerde ik toch weer terug om op te schrijven wat me bezig hield. “Dagboek” verder lezen

Verjaardag

Het is mijn vaders verjaardag. Vierentachtig zou hij zijn geworden vandaag, een respectabele leeftijd.  Toch had ik als kind geen enkele twijfel dat hij die zou bereiken. Mijn oma, zijn moeder, was de negentig gepasseerd en ook al was mijn opa gestorven voordat ik me echt van hem bewust kon zijn, ik rekende op de sterke genen van mijn vaders voorouders. Dat hij maar zeventig zou worden was domweg onvoorstelbaar. “Verjaardag” verder lezen

Veerkracht

Maar liefst twee keer in één week kwam het woord ‘veerkracht’ op mijn pad. Twee keer, dat moet iets te betekenen hebben. Een raar woord is het ook nog. Een collega deed ooit een cursus met veerkracht in de titel en iedere keer dat ik het in haar agenda zag staan las ik het verkeerd. En stelde ik glimlachend vast dat dat waarschijnlijk veel over mij zei. “Veerkracht” verder lezen

Avontuur

“Ik wil graag iets voor je doen”, staat in het whatsappje “maar je moet wel snel beslissen.”
Ik hou van berichtjes die zo beginnen. Ze houden een belofte in van avontuur.
Lieve H biedt ons een vakantie aan en ook al klinkt een week in een bungalowpark misschien niet heel avontuurlijk, voor ons is het dat dit jaar wel. “Avontuur” verder lezen

Look of love

Eenendertig jaar geleden viel 13 juli op een donderdag.  Twee dagen later zou ik met mijn ouders op vakantie gaan, naar een camping in Zeeland. Maar eerst moest ik nog iets afhandelen met de jongen op wie ik tot over mijn oren verliefd was. Ik had met hem afgesproken dat hij vier weken lang een rode roos zou krijgen als hij niet zou roken en een hele bos rozen na een jaar. Voor ik op vakantie ging moest ik hem de laatste enkele roos brengen. “Look of love” verder lezen

Mild

‘Je bent streng voor jezelf’,  zei iemand ooit eens tegen mij. Het was een constatering waar ik het mee eens kon zijn, tot op zekere hoogte. De vraag die eronder lag vond ik pijnlijker. Ben ik dat ook voor anderen? Leg ik de hoge verwachtingen waaraan ik van mezelf aan moet voldoen ook op aan de mensen om me heen? En stellen die mij dan teleur als ze niet aan die verwachtingen voldoen?
In coachingstermen zou je kunnen zeggen dat mild zijn mijn uitdaging is. En te hoge verwachtingen zijn dan mijn valkuil. “Mild” verder lezen

Vragen

Ooit kocht mijn lief een setje kaarten met gespreksonderwerpen. Leuk, als spelletje, vond hij, leuk voor met de meiden. Ik begreep niet helemaal waarom, want de mientjes hebben aan gespreksstof nooit een tekort, maar ik wilde het best een kans geven. Misschien zouden de gesprekken dan wat dieper gaan dan de gebruikelijke opmerkingen over het koekje/de schermtijd/de rotzooi opruimen/de schoenen die kwijt of kapot zijn of niet meer lekker zitten.
De laatste tijd hebben we aan diepgaande gespreksonderwerpen geen gebrek, ook zonder kaartjes om het op te starten.
‘Wat zou je zeggen,’ begint kleine Mien onder het eten, ‘als papa ineens nu de tuin in kwam lopen en op het raam tikte?’ “Vragen” verder lezen

Leunen

‘Wat mis jij het meest aan papa?’
Ze heeft het al vaker gevraagd en zeker in dit post-voorlezen momentje met zijn tweeën in bed had ik de vraag kunnen zien aankomen, maar toch word ik erdoor overvallen.
‘Dat hij er altijd voor me was,’ antwoord ik naar waarheid, ‘dat ik op hem kon rekenen’. Mijn stem is dun en trilt een beetje. Ik moet denken aan de foto uit een ver verleden die ik op de vensterbank heb gezet. Mijn lief en ik zitten samen op een muurtje, hij met zijn handen stevig achter zich om niet alleen zichzelf maar ook mij, tegen hem aangeleund, overeind te houden. Ja, zo was het, denk ik als ik die foto zie. Zo was het. Ik leunde op hem met die vanzelfsprekendheid alsof het nooit anders zou worden. Toen al. Piepjong zijn we daar. Dat zie ik nu, maar ik weet nog hoe volwassen we ons voelden.
Ze kijkt opzij, niet helemaal zeker hoe ze op mijn tranen moet reageren.

‘Waar hebben jullie het over?’ Grote Mien springt op het bed op een manier die om een blessure vraagt. Het zou niet de eerste zijn door een rare actie, en waarschijnlijk ook niet de laatste.
‘Over papa. Weet je nog…’
Hoe ze het voor elkaar krijgen weet ik niet, maar het gesprek komt vrijwel meteen op onderbroeken. Hoe hij in zijn onderbroek de krant zat te lezen, of in zijn onderbroek het GFT afval naar de biobak buiten bracht.
Er zit een afkeurende bijklank in, en ze weten het woord onderbroek uit te spreken alsof het een groezelig en walgelijk voorwerp is dat niemand zou horen te bezitten.

‘Hij droeg altijd boxershorts!’ voer ik ter verdediging aan, omdat het bepaald niet zo was dat hij in een tangaslip met tijgermotief rondparadeerde, maar het maakt voor hen geen enkel verschil.
‘En dat ie dan ook gewoon de deur opendeed! Kwamen de buren langs, liep hij al naar de voordeur..’
Voor mijn geestesoog zie ik drommen buren voor de deur staan die opgedirkt en al voor een feestje langskomen, maar het blijkt te gaan om een keer dat de buurjongen op zaterdagochtend langskwam. Op zo’n lome luie zaterdag met niets anders aan je hoofd dan de dikke zaterdagkrant en wie welk katern het eerst mocht. Zo’n zaterdag in pyjama of joggingbroek. Of onderbroek dus.
‘En ik nog: gast, je bent in je ónderbroek! Maar nee hoor…’ Ze rolt met haar ogen op een manier die ik nog niet eerder heb gezien en die haar definitief tot puber maakt.
‘Eén keer lag zijn onderbroek op de grond en toen ben ik er met mijn voet in gaan staan!’
‘Ieuw!!!’
Ze rillen er allebei van. Ik moet lachen en zij ook. Daarna volgt een stoeipartij die me ook aan hun vader doet denken en die me mijn hart laat vasthouden opdat het niet op huilen uitdraait.

Ineens daagt het me: ik was niet de enige die leunde. Dat hij de leuke, grappige, vreemde, wilde, onbesuisde papa kon zijn kwam ook doordat ik hem daartoe in staat stelde. We leunden op elkaar en hielden elkaar in evenwicht.
Die gedachte is verontrustend, omdat het evenwicht nu immers zo ruw is verstoord, maar voelt tegelijkertijd bevrijdend. Ook op mij kon* geleund worden.
Misschien moet ik de foto van ons trouwen waarbij ik hem optil een meer prominente plek in de kamer geven. Hij droeg niet alleen mij, ik hem net zo goed.
De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat hij speciaal voor die foto een eindje omhoog sprong. Dat dan weer wel.

—–

*kon… het voelt (nog?) niet alsof dat ook in het nu geldt.