Als er één dag is om je over te geven aan mijmeringen, dan is het wel Moederdag.
De rolbevestigende knutsels: stoer voor papa, schattig voor mama. De ontbijtjes op bed die vooral bestonden uit dingen die zíj lekker vonden: een boterham met vruchtenhagel of banaan (of beide, dubbel feest!), een glas onhandig ingeschonken fristi als mijn lief zich in de supermarkt had laten verleiden dat te kopen.
Mijn eerste moederdag als moeder van twee toen mijn vader overleed.
De puberjaren waarin je niet traditiegetrouw veel te vroeg werd wakker gemaakt, maar op hun verzoek (de dag ervoor) in bed moest blijven liggen tot ze het er eindelijk eens aan toe hadden om jou van een ontbijt te voorzien.
Het in je achterhoofd sluimerende schudgevoel naar je eigen moeder en die van je lief terwijl je bleef volhouden dat je al jaren geleden had besloten niets aan moederdag te doen.
Ze waren de stad in geweest met zijn tweeën. Het kwam zo uit dat we er alle drie waren en ze kwamen van tevoren even gezellig bij mij langs op kantoor. Het was een gelukkig toeval. Precies op de dag waarop ik op wat normaal mijn vrije dag was ging werken had de puber eerder vrij van stage, en werd de twintiger niet geplaagd door deadlines van de studie. Ik had er niet eens erg in dat ze voor moederdag op pad gingen.
‘En toen ging jij appen,’ zegt de twintiger voordat hij mij het cadeau overhandigt. ‘Over de theewinkel.’
Dat had ik inderdaad gedaan. Of ze even van die lekker smaken wilden meenemen, die ik zo goed kan mixen, mochten ze toevallig in de buurt van de grote theewinkel komen.
‘Maar daar wilden we sowieso al naar toe. Als verrassing!’
Iedere dag is er wel een gelegenheid om mij eraan te herinneren wat een waardeloze moeder ik eigenlijk ben. Ik probeer mijn ongemak weg te grinniken.
De bloempotten met hartjes hebben ze nu maar gevuld met ander leuks. Fijne pennen, bloemzaad en een potje om klaprozen in op te kweken.
Ik moet denken aan het gesprek dat ik eerder deze week met iemand had over mijn haat voor tuinieren. En voor paardenbloemen die overal opduiken en nauwelijks uit te roeien zijn.
‘Ik heb laatst gehoord dat je die eigenlijk moet omarmen. Ze niet als onkruid moet zien, maar de schoonheid ervan moet gaan waarderen,’ zei de ander.
Ik snoof. ‘Als het nou klaprozen waren! Klaprozen vind ik prachtig. Die mogen altijd ongevraagd mijn tuin in, onkruid of geen onkruid.’
De kinderen waren er niet bij dus het is uitgesloten dat ze dit gesprek hebben gehoord. En dan toch die klaprozen.
We hadden ze vroeger ook in de tuin, weet ik nog. Je mocht ze als kind niet aanraken en er zelfs niet aan ruiken van mijn ouders. Later zei iemand dat je er high van kon worden. Bij het woord high in combinatie met mijn ouders kon ik me niets voorstellen.
Ach, moederdag.
Moederdag met mijmeringen.
En kinderen met klaprozen.

