Vissen

Voor een visser heeft hij veel behoefte aan een praatje, het jongetje dat achter ons huis  met zijn hengel is neergestreken. Voor iedereen heeft hij wel even tijd, zelfs de mensen die alleen maar vragen of hij lekker aan het vissen is kunnen op een uitgebreide uitleg rekenen. Dat hij op voorntjes uit is, maar dat hier ook karpers zitten. Die laat ie aan zijn vader over. Dat witbrood het beste aas is, maar dat ze dat thuis nooit hebben.

Ik mocht vroeger nooit iets zeggen, als ik met mijn broer meeging, vissen.
‘Je jaagt de vissen weg met je geklets!’ zei hij dan en hij legde waarschuwend een vinger op zijn lippen alsof je alleen als je héél héél stil was iets kon vangen. Van tevoren leek het me altijd zo leuk, als we samen op stap gingen, hij met zijn hengel en ik met de grote emmer waarin we onze vangst zouden bewaren. Maar al snel vond ik het vooral saai en vervelend. De enige reuring die er was kwam als hij daadwerkelijk iets had gevangen. Ik kreeg dan als taak om snel naar huis te rennen om mijn vader te halen zodat die de vis van het haakje kon halen. Dat vonden we allebei te vies en te eng.

De volgende morgen is hij er alweer, de vissersjongen en nog steeds deelt hij zijn expertise met wie het maar wil horen.
‘Heb je al iets gevangen?’ vraag ik als ik terugkom van een ochtendrondje.
‘Nee, maar ze willen wel bijten vandaag!’
Ik vraag niet hoe hij dat weet, maar het vraagstuk blijft me de rest van de dag bij.

De hele dag hoor ik af en toe zijn visserslatijn en zijn goedbedoelde raad als rustig kabbelend geleuter op de achtergrond.
Het is een weekend zonder plannen, die ik grotendeels met boek en thee in de tuin doorbreng. En hoe relaxt dat ook klinkt, het is vooral zo’n weekend waarin het gemis zich ineens groot en dreigend opdringt en veel zwaarder valt dan op welke speciale dag dan ook, omdat op die dagen iedereen wel doorheeft hoe moeilijk het is.
Er is veel dat mij van slag brengt. De barbecuegeuren en -geluiden uit buurtuinen, het gelach van kinderen die met een tuinslang spelen, gezellige foto’s op de socials van bevriende stellen die samen leuke dingen ondernemen. Zorgen over een mogelijke operatie van een van de kinders en een toekomstbeeld waarin ik dit soort zorgen voor altijd alleen moet dragen.

Een oudere man komt met zijn kleinzoon aan de waterkant zitten. Zijn uitrusting schiet danig tekort volgens de expert en het is maar goed dat de man hem hier treft, zodat hij een en ander kan uitleggen.
Ik zie mezelf weer voor me, naast die grote emmer, waar nooit echt vis in kwam, me verbijtend om alle dingen die ik te vertellen had en die interessanter waren dan hier zwijgend te zitten.

In een opwelling app ik mijn broer. “Weet je nog dat jij een keer zou gaan vissen met oom K?” vraag ik. Ik herinner me dat ze idioot vroeg moesten opstaan omdat mijn oom al tegen vijven bij het water wilde zitten. “Heb je dat eigenlijk gedaan?”
Ik moet glimlachen om mijn eigen suffe vraag en nog meer om het feit dat ik een broer heb aan wie ik dit soort willekeurige gedachten kan sturen. En omdat hij, al woont hij helemaal in het verre Z,  dichterbij is dan hij in jaren is geweest.
Op dagen waarop er zoveel is dat je van slag kan brengen is dat veel waard.

Het duurt even voor ik antwoord krijg. Hij weet het nog, het was met onze neven als hij het zich goed herinnert. Maar of hij daadwerkelijk is meegegaan, zo ’s ochtends vroeg, hij denkt eigenlijk van niet.
Mijn glimlach wordt breder. Het leek mij ook al sterk.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *