Vijfentwintig jaar getrouwd zijn ze, de vrienden A en A, die wij vroeger vanwege hun voorletters liefkozend wel eens de Anonieme Alcoholisten noemden. Niet de meest handige manier om ze aan te duiden, tenminste niet als er anderen binnen gehoorafstand waren.
“Nee, die dag kunnen we niet, dan hebben we een afspraak met de Anonieme Alcoholisten!”
We waren erbij, vijfentwintig jaar geleden, mijn lief en ik. Ik was zelfs getuige, een eer die ik niet licht opvatte. Het was koud, die dag, en ’s avonds begon het te sneeuwen. Met een klein groepje gingen we naar buiten waar we in onze feestkleren stonden te lachen tussen de dikke vlokken die magisch langzaam naar beneden dwarrelden.
Ook daarvoor waren we er al bij. Bij het begin van de relatie, bij het eerste samenwonen.
Na het huwelijk waren we bij alle ups-and-downs die in een mensenleven voorkomen. We waren bij begrafenissen, vierden de komst van de kinderen mee, een nieuwe baan, vijftig worden. Zij waren er op de zwartste dag van mijn leven, de jaren erna, bij de feestjes die ondanks alles werden gevierd.
Nu is er weer een feestje. Vijfentwintig jaar getrouwd zijn ze, ruim dertig jaar samen. Het is een mooie gebeurtenis, hou ik mezelf voor en ik ben oprecht blij voor ze, maar toch moet ik huilen.
Lange tijd waren wij het stel dat het langst bij elkaar was. Eerste liefde, oersterk. Hoe lang de relaties om ons heen ook gaande waren, onze verkering duurde altijd het langst. Wij kenden elkaar al zo jong, hadden al zo vroeg iets samen. We waren altijd baas boven baas. Lange tijd dacht ik dat dat nooit zou veranderen. Tot het een paar jaar geleden tot me doordrong dat verschillende bevriende stellen langer bij elkaar waren dan wij ooit waren geweest. De tijd die ik met mijn lief doorbracht was eindig en de anderen streefden ons een voor een voorbij.
Ik wil niet jaloers zijn en toch ben ik het.
Ik wil het ze gunnen, ik wil het iedereen gunnen. En dat doe ik ook. En toch doet het zoveel pijn dat het me de adem beneemt. Het had een dag moeten zijn van herinneringen, aan hoe het was toen wij ons jubileum vierden. Een dag waarop wij elkaar glimlachend aan zouden kijken en al stiekem plannen maakten voor een feestje als we oud, nog ouder waren en nog veel langer samen. Een dag van herkenning en liefde.
Nu trek ik mijn mooiste kleren aan, en stof mijn breedste glimlach af. Ik ga vieren. Het leven, het huwelijk, de liefde. Alleen niet die van mij. En dus draag ik onder al dat moois dat lelijke groene monster dat jaloezie heet met me mee. In mijn achterzak. Misschien aai ik hem af en toe even over zijn koppie, om zeker te weten dat ie daar rustig blijft zitten en niet de boel overneemt. Het liefst zou ik hem thuislaten, maar ik weet dat hij dat niet zal accepteren. Hij wil er per se bij zijn. Nou ja, dat moet dan maar. En als ik af en toe zo vrolijk ben dat ik per ongeluk iets te hard op hem ga zitten, dan heeft ie gewoon vette pech.

