Sombrero

‘Nu alleen nog wachten op de zon!’ zegt de oude man die me tegemoet ploegt door de sneeuw lachend. Ik moet even nadenken waar hij het over heeft, maar dan daagt het me. O ja, dat is ook zo, ik loop op deze winterse dag met een enorme sombrero op mijn rug.

We zijn onderweg naar de sporthal, de puber en ik, voor het nieuwjaarsvolleybaltoernooi. Aangezien we, gelet op onze volleybalvaardigheden, alleen kans maken op de originaliteitsprijs hebben we het thema “Vakantie” enthousiast omarmd. Vanochtend heb ik bikini-bodies op T-shirts getekend, de mijne compleet met een tattoo boven het broekje. In de doos verkleedkleren vond ik nog wat bloemenslingers, een tulen rokje dat door de puber genadeloos werd afgekeurd, en die sombero. Enigszins verfrommeld en veel te groot om echt te dragen, maar daardoor alleen maar leuker.
Ze heeft niet eens geprotesteerd toen ik het ding op mijn rug hees en is ook niet een eindje voor me uit gaan lopen.

Waar is de tijd gebleven dat kinderen zich kapot schaamden voor hun ouders? Wij deden dat vroeger in ieder geval wel. Ik herinner me een keer dat mijn broer en ik met mijn moeder op stap waren voor het verjaardagskado voor mijn vader. Aan de gesp van mijn moeders handtas was, toen ze die even neerzette op de stoel waarop vaak een lading wasgoed lag, een sok blijven hangen. Dat merkte ze pas toen die er in de ijzerwarenwinkel af viel en de winkelbediende gretig te hulp schoot. ‘Mevrouw, u verliest ….. een sok?’ Zijn verbaasde gezicht toen hij het kledingstuk omhoog hield was goud waard. Mijn broer ging bijkans door de grond.

Zelf vind ik het ook allerminst genant om met de sombrero rond te lopen. Het is dat ie niet heel goed past, maar anders had ik hem met alle liefde op mijn hoofd gezet. Waarom zou ik me schamen? Niemand kent me hier.
Dat is natuurlijk niet waar. Zodra de kinders naar school gingen was er altijd wel iemand die me herkende. ‘Moeder van …’ werd ik dan nageroepen, alsof dat mijn naam was geworden. Onderhand woon ik lang genoeg hier om mensen te kennen en regelmatig bekenden tegen te komen. Maar als je zoals ik uit een dorp komt waarin mensen niet alleen weten wie je bent maar ook je ouders kennen, en weten van wie zij afstammen, dan voelt een andere woonplaats al snel anoniem. Vriendin B formuleert het altijd zo dat het dorp waarin wij wonen groot genoeg is om privacy te hebben maar ook zo klein dat je altijd wel iemand kent. Zo bleek op een feestje bij mij thuis dat de zwemjuf van haar kinderen een vriendin van mij is. En B’s vriendin kwam ik altijd tegen als ik met vriendin W ging zwemmen. Dwarsverbanden genoeg, maar de anonimiteit voelt groter. En wat een opluchting is dat. Ik weet nog goed hoe fijn ik het vond om te studeren in een stad waarin ik niet wist hoe de buurman heette, laat staan wat hij voor de kost deed of hoe vaak hij boodschappen deed bij de plaatselijke buurtsuper.

Hoe groot is de kans dat iemand me hier herkent als ik (zoals vorig jaar) in een zilveren glitterbroek naar het volleybaltoernooi fiets of met een sombrero op de rug de sneeuw trotseer? Vroeger in mijn eigen dorp had ik het waarschijnlijk niet gedurfd maar hier is onzichtbaarheid een van mijn superkrachten.

Het volleyballen gaat nog slechter dan voorzien en ondanks mijn trampstamp grijpen we naast de prijs voor de beste outfit. Maar lol hebben we wel en op de terugweg durft de puber het zelfs aan de sombrero te dragen. Ik probeer haar ervan te overtuigen dat ze er belachelijk uitziet. Het geeft niets. Niemand kent ons hier, niemand die het ziet.

’s Avonds krijg ik een appje. Vriendin W heeft me zien lopen. “Zag er leuk uit met die grote sombrero”, gevolgd door een smiley. Gelukkig maar dat je hier anoniem over straat kunt.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *