Sporten

Van huis uit ben ik geen sporter. Oké, ik heb me ten doel gesteld om dit jaar duizend mijl te wandelen, en als ik geen langslepende blessure had aan mijn voet zou ik waarschijnlijk allang weer zijn begonnen met de zoveelste poging om te rennen met Evy, maar daar blijft het ook wel bij. Vroeger heb ik een blauwe maandag aan ballet gedaan. Ik herinner met vooral de bozige juf die na de lieve “oma ballet” aantrad en die mij vooral steeds duidelijk maakte dat ik veel te dik was voor een gracieuze aangelegenheid als klassieke dans.

Een teamsport heb ik nooit beoefend, en ook al leek me dat heel gaaf toen ik Allstars eenmaal had gezien, ik ben vooral te bang voor alles waarbij het op je af komen van een bal een wezenlijk onderdeel is.
Mijn eigen pubers kozen ook al van die solistische bezigheden. Streetdance en judo. Het hield in dat ze één keer per week naar sport moesten worden gebracht en dat we maximaal twee keer per jaar werden verwacht bij een demodag of een graduatie. Heerlijk rustig vergeleken bij de ouders die iedere zaterdag in de kou en regen langs de lijn moesten staan om hun bloedjes van kinderen te zien spelen.

Ik was er dan ook totaal niet op voorbereid wat de interesse van de kleine puber in volleybal allemaal teweeg zou brengen. Het eerste jaar speelde ze bij de mini’s, heel kalm en onschuldig en bovendien in coronatijd zodat er eigenlijk niets doorging. Maar nu is het menens. Ineens is er een schema waarin bijna iedere week een wedstrijd moet worden gespeeld. We worden geacht op onchristelijke tijden te verschijnen in afgelegen dorpen die soms wel op een uur rijden afstand liggen. Er is een appgroep gemaakt voor de ouders, die niet alleen moeten rijden maar ook het team horen te coachen en verder van alles en nog wat schijnen te moeten doen om de wedstrijd goed te laten verlopen.

Ik ging er onschuldig in. Toegegeven, iedere zaterdag die in het teken stond van de sport vond ik wat veel, maar hele volksstammen deden het, en dus zou ik er ook vast aan wennen. Maar daar bleek het niet bij te blijven.

Er kwamen vragen over ballentassen, over spelregels, fluitbeurten. Er bleek een digitaal wedstrijdformulier te bestaan en iedere speler moest beschikken over een spelerspas met een eigen uniek nummer.  Omdat de mails over invalbepalingen me finaal boven de pet gingen had ik uit een soort copingstrategie niet alles meer even aandachtig gelezen en miste ik daardoor cruciale informatie over de tenues. Gelukkig mocht de puber totdat de nieuwe tenues er zijn in haar eigen sportkleding spelen, maar daar moest dan wel een rugnummer op gemaakt worden, vernam ik via de appgroep waarin tot onze mazzel een meer ervaren ouder zit, die dingen weet.

We zijn er maar druk mee, als ouders. We tikken onze vingers blauw over wie met wie meerijdt, welke speler helaas moet afzeggen wegens blessureleed en over nog veel meer zaken waar ik als argeloze solo-sporter geen enkel weet had tot nu toe.

En dan moet de wedstrijd nog beginnen. Daar speel ik natuurlijk ook een cruciale rol; die van ondersteuner, professioneel juicher en grootste fan. Ook al ben ik dan al suf-geluld, moe-geappt en murw-gestrest van alle voorbereidingen en al het gedoe.
Goed beschouwd is het moederen van een sporter een sport op zich. Ben ik toch meer een sporter dan ik dacht.

 

Eén antwoord op “Sporten”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.