Weerzien

‘Vind je het spannend om je broer weer te zien?’
De kleine puber houdt ervan naar de bekende weg te vragen.
‘De vorige keer dat je hem zag moest je huilen.’

Ik protesteer voor de vorm. ‘Ik moest huilen omdat hij zo emotioneel was!’ Maar het is waar. Ik huilde bij het afscheid en het eerste kwartier van de terugweg. Hoe kunnen ze het meevoelen, hoe kan ik ze vertellen hoe het is om je broer na dertig jaar terug te hebben en hoe rot het dan is dat hij zo ontzettend ver weg woont. We huilden om alles wat we eindelijk tegen elkaar konden zeggen, en ook om alles wat ongezegd bleef en wat we toch naar elkaar communiceerden. Om verloren tijd en van opluchting om wat we terug hadden gevonden.

En nu is het nog emotioneler, want als ik hem weer zie, na te lange tijd, zal de afwezigheid van mijn lief zich alleen maar meer doen voelen. Mijn lief die hier bij had moeten zijn, bij deze reis, die me had moeten aflossen als mijn schouders en nek stijf werden van het rijden, met wie ik mijn indrukken had moeten delen.

Tijdens het rijden was het gemis er al verschillende keren. Dan voelde ik mijn hand opzij gaan om hem op zijn knie te leggen. ‘Kijk dan,’ zei ik, ‘hoe mooi het hier is! Kijk!’
Nu zei ik het alleen maar tegen de pubers die op commando opkeken van hun YouTube filmpjes of hun puzzelboekjes en braaf knikten. Ja hoor, mam, heel mooi. Kan ik nu weer verder?
Ik miste degene tegen wie ik het echt wilde zeggen, in wiens ogen ik zou lezen dat we dit avontuur samen aangingen. Kijk dan, hoe mooi. Kijk!En straks zien we mijn broer terug en wie weet wat er allemaal nog voor ons in petto is, net voorbij de volgende bocht.
Mijn hand raakte de verkeerde knie.
Ik slikte de opkomende tranen in. Het is lastig rijden met vertroebelde ogen.
Bovendien is het nu ons avontuur, van ons drieën. Anders, maar ook waardevol.

Mijn broer grijnst als hij ons ziet, hij neemt de trap naar beneden met twee treden tegelijk in zijn haast bij ons te komen.
Als we elkaar omhelzen is het alsof we elkaar nooit meer zullen loslaten. Ik voel zijn snikken en doe geen moeite mijn eigen tranen te verbergen.
‘Déja-vu,’ zegt hij met een onhandig glimlachje als we eindelijk tegenover elkaar staan. Want hij weet het ook nog, van de vorige keer. En in de blik die hij over ons drieën laat gaan zie ik ook het verdriet om die vierde, die erbij had moeten zijn.

We praten honderduit, over van alles en niks, vooral. En veel blijft er ongezegd, maar daarmee niet ongevoeld.
De pubers willen weten of de anekdote van vroeger, die ik ze laatst vertelde, echt is gebeurd. En hij lacht, want hij weet het nog. Hij weet alles nog, net als ik. Als onze blikken elkaar kruisen lees ik ons gezamenlijke verleden, en alles wat we misschien wel kunnen, maar niet hoeven te zeggen.

Eén antwoord op “Weerzien”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.