Dagboek

Al vanaf mijn vijftiende heb ik een dagboek. Daarvoor deed ik ook wel eens pogingen mijn zieleroerselen te beschrijven, maar pas op de middelbare werd dat serieus en hield ik vol. Niet elke dag, en soms maanden niet, maar altijd keerde ik toch weer terug om op te schrijven wat me bezig hield.
In het begin waren het altijd dezelfde schriften met een harde kaft. Voor mijn tiener-geestesoog zag ik een indrukwekkende rij verzamelde werken staan tegen de tijd dat ik tachtig zou zijn. Allemaal keurig naast elkaar, allemaal hetzelfde. Mocht het schrift dat ik gebruikte ooit uit productie worden genomen dan zou ik er een enorme voorraad van inslaan, bedacht ik, zodat ik tot in lengte van jaren genoeg had. Niet dat ik me kon voorstellen dat dat ooit zou gebeuren. Het waren schriften van de Hema en het idee dat de Hema ooit niet meer zou bestaan was in die tijd ondenkbaar.
Later werden het steeds andere boekjes, dik, dun, met bloemen, effen, net waar mijn hoofd op dat moment naar stond.

Ik schreef over school, studeren, verliefd zijn. Daarna over twijfels, werk, sterfgevallen. Nooit liet ik iemand iets lezen. Nou ja, één keer, aan mijn lief. Die vond wat hij ‘onze lovestory’ noemde prachtig. Ik geneerde me vooral voor het puberale gedweep, maar na zijn overlijden las ik het terug en hij had gelijk, het was prachtig. Niet dat ik het schrift dat ik op dat moment gebruikte nodig had om het me te herinneren. Ik wist alles nog. Hoe het was, hoe het voelde, hoe het rook, hoe hij klonk, en ik. De gebeurtenissen stonden in mijn hart geschreven, voor altijd.

Na zijn dood werd het dagboek minder idyllisch. Ik kraste en drukte te hard met mijn pen op het papier. Er kwamen lelijke woorden in te staan, sombere gedachten en veel, heel veel zwart. Mijn handschrift werd slordiger dan iemand die mij kent zou vermoeden. Maar ook dit schrift zal ik in de toekomst niet hoeven teruglezen om te weten hoe het was, hoe het voelde.

De afgelopen dagen heb ik het dagboek niet meer gebruikt. Niet omdat er niets te vertellen is, niet omdat ik niet iets kwijt zou willen op papier. Er is genoeg te vertellen. Hoe het is dat het gewone leven om ons heen weer is begonnen, school, werk, vrijwilligersdingen. Alsof er helemaal niets is veranderd. Hoe zwaar het gemis nog steeds is, zwaarder bijna dan eerst. Hoe het is om trots te zijn op de mientjes en dat nooit meer te kunnen delen. Meer dan ooit heb ik iets om van me af te schrijven. Maar ik doe het niet.

Er zijn in het huidige schrift nog maar een paar bladzijden over. Als ik die heb gevuld moet ik aan een nieuw schrift beginnen, het eerste schrift waarin mijn lief niet meer levend voorkomt. Het eerste schrift over een leven waarin ik het zonder hem moet zien te redden. Ik weet dat ik dat leven niet kan uitstellen, niet in de wacht kan zetten tot ik er aan toe ben (als het ooit al zover zal komen), ook niet door een dagboek te hebben waarin ik kan terugbladeren naar betere tijden. En toch. En toch, en toch, en toch.
Voorlopig stop ik met het schrijven op papier en hou ik het bij de woorden die in mijn hart geschreven staan.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *