Sint Maarten

Een heleboel dingen worden relaxter als je kinderen groter worden. Zo sta ik tegenwoordig nooit meer met een overvolle boodschappenkar in de supermarkt, jonglerend met mijn bonus- en airmileskaart in de ene en de portemonnee in de andere, onderwijl met een elleboog de maxicosi op de kar in balans houdend, terwijl iemand aan mijn jas trekt en op een luide toon die geen tegenspraak en zeker geen uitstel duldt meedeelt: ‘Ik moet poepen’.
Toegegeven, een heleboel dingen worden ook a-relaxter als je eenmaal pubers in huis hebt. Onbekommerd door de kamer dansen, luidkeels verkondigen dat moeders alles weten (vroeger werd er instemmend geknikt, nu valt hoongelach mij ten deel), keihard zingen in de auto. Wat voorheen als grappig, stoer en gaaf werd beschouwd levert nu alleen rollende ogen en snoeihard commentaar op.
Maar je krijgt er zoveel voor terug…
Een van de dingen die in ieder geval beter geregeld zijn, is Sint Maarten.
Als kind vond ik het geweldig. Eerst snel snel eten (in mijn herinnering aten we altijd stamppot zuurkool of andere zware kost als tegenhanger voor al het zoetigheid dat er stond aan te komen) en dan op de knietjes op de bank naar buiten kijken, speurend naar de eerste lichtjes. Mijn vader had als regel dat wij niet de eersten mochten zijn die buiten hun ronde gingen maken. Gelukkig maar dat niet alle vaders er zo over dachten.
Wat een feest was het. In de kou (het regende nooit in mijn herinnering) met je mooie zelfgemaakte lampion en een zak waarin de wereld aan snoep kon. De niet-ingepakte snoepjes die we kregen aten we altijd onderweg snel op, want we wisten dat we die van mijn moeder moesten weggooien. Je wist immers nooit meer van wie je het had gekregen, was haar redenering. Die vlieger ging in onze ogen niet op als we ze maar meteen na ontvangst in onze mond staken.

Later was het leuk om met de kleine mientjes op stap te zijn, zij onhandig met hun lampion wapperend, met tegenzin zingend omdat het er immers alleen om ging zo snel mogelijk weer pleite te zijn, op weg naar de volgende buit.
Voor de thuisblijver was het minder: steeds als je net op de bank zat werd er weer aangebeld, of hard op je deur gebonsd. Domweg in de gang blijven staan wachten op de volgende lading kinderen was geen optie omdat die net te ver weg waren en het k-k-k-koud was bij de deur. En dus raakten je billen net de bank als je alweer moest opstaan.

Dit jaar hebben we Grote Mien hoofd snoepuitgifte gemaakt. En nu Kleine Mien half en half meeloopt en Grote Mien de deur in de gaten houdt, hebben wij voor het eerst sinds jaren de tijd om rustig te eten en zelfs nog wat van De Wereld Draait Door mee te krijgen.
Wat we missen zijn de blije kindersnoetjes en de glunderende oogjes als ze het lekkers zien waaruit ze mogen kiezen. In plaats daarvan horen we hoe Mien de kinderen bemoedigend toespreekt: ‘Mooi gezongen hoor!’ en ‘Wat hebben jullie een mooie lampions!’
Wat doet ze dat goed, en lief. Daar sluipt iets anders mijn hart binnen dan de tevredenheid van een lekker gemakkelijk avondje. Moedertrots, die trouwens een miljoen keer beter verwarmt dan de wetenschap dat ik niet meer in de tocht bij de deur hoef te staan.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.