Terug

Iedere vakantie merk ik het weer: de laatste dagen ben ik in gedachten alweer bezig met de terugreis. Na hoelang rijden zullen we ongeveer stoppen? Wat nemen we mee voor onderweg in de auto? Zal alles wel in de achterbak passen? We hebben immers zoveel dingen bijgekocht. Zal ik anders dat ene shirt waar al wat kleine gaatjes in zitten en nu ook nog die vlek die er na het wassen niet uit is gegaan, maar hier laten, in de vuilnisbak?
Soms gaan de gedachten zelfs nog verder, naar het thuisfront. Moeten we de dag na terugkomst meteen naar de buurtsuper? Hoe zou het met de poezen zijn? Ben benieuwd of er nog leuke post is gekomen.

Het maakt niet uit hoe lang de vakantie is, bij twee weken weg heb ik het alleen iets eerder dan als ik langer wegblijf.
Ik ben jaloers op de mensen die tot het laatst toe kunnen genieten van waar ze zijn en min of meer overvallen worden door het einde van hun verblijf aldaar.

En nu heeft de terugweg nog een dimensie erbij gekregen. Door onze oude “vriend” de Rona.

Het leek allemaal zo mooi uit te komen. Nicht L die een zomerbaan ver in het Noorden had en die we dus niet zouden zien, bleek eerder terug te komen. Nicht F kwam voor haar ook deze kant op. De kinderen van mijn nieuwe schoonzus, ook nichtjes, maar nog wat minder bekend en vertrouwd, zouden in de stad zijn voor een festival. We zouden iedereen zien, de hele familie, iedereen die we de laatste tijd vooral kennen uit verhalen, insta stories, appjes en telefoongesprekken. Eindelijk.

Met de Rona had ik totaal geen rekening gehouden. Ja, ik had van tevoren braaf de coronaregels opgezocht van ieder land waar we doorheen moesten rijden, maar er waren geen bijzonderheden en alles leek zo normaal dat het een ver-van-mijn-bed-show was geworden. En toen kreeg schoonzus een positieve test, en nicht L bleek bij haar zomerbaan al besmet te zijn. F was nog steeds bij ons in de buurt, maar verblijft in het huis waar L ook logeert en is daarmee een risico. En uiteraard kreeg mijn broer het ook.

Niet alleen is het ontzettend zuur om nu zo dichtbij ze te zijn en hen alsnog niet te kunnen ontmoeten, live met ze praten en ze te knuffelen alsof mijn leven er van afhangt.
Ook is er die angst die ineens onze laatste dagen hier overschaduwt. Want wat als wij het krijgen? Ik kan niet met een ziek hoofd dat hele eind terugrijden. Bovendien moeten we nog ergens overnachten, en we moeten op een boot met heel veel andere mensen.
We zijn alle drie ingeënt en twee van ons zijn al eens door de Rona geveld. Maar toch, maar toch, maar toch.

Voor het eerst is het focussen op de terugreis en de thuiskomst iets positiefs. Ik stippel de reisdagen uit alsof ik daarmee kan afdwingen dat het goed gaat. Ik check de tijd waarop we bij de boot verwacht worden en bedenk alvast wat we in de taxfree-shop kunnen kopen.
Als ik mijn ogen dichtdoe kan ik me zelfs al thuiswanen en kat K horen miauwen om eten.
O wacht nee, dat is kat V op wie we passen in de weken dat we hier zijn. Kennelijk is zijn bakje alweer leeg. Daar zal ik snel iets aan doen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.