Afscheid

Als ik aan de laatste keer dat we in Zweden waren en afscheid namen van mijn broer denk zie ik twee dingen voor me: de parkeerplaats waarop we elkaar gedag zeiden, en de brug van Zweden naar Denemarken. Beide plaatsen zijn troebel door de tranen. Vooral bij de brug kan ik het gevoel duidelijk oproepen dat ik destijds had: dat ik wegreed bij mijn familie, hen achterliet en de bloedband door afstand beetje bij beetje verder oprekte.
Het slaat nergens op. De parkeerplaats klopt. Ik zie ons er nog staan.
We komen er deze vakantie iedere dag langs. De eerste keer riep de kleine puber: hier gingen we de vorige keer afscheid nemen. En jij moest huilen, mam!
Maar die brug, dat was een andere keer, jaren eerder. De laatste keer gingen we immers met het vliegtuig en reden we dus in onze huurauto naar het vliegveld in Oslo. We zagen de brug misschien vanuit de lucht, maar dat herinner ik me niet eens.

Het was een gedenkwaardige knuffel, op die parkeerplaats die, zoals we nu zien, nu we hem vaker passeren, vlak bij een enorm brengpark staat, vol containers voor papier, glas of plastic en daarmee een nogal smoezelige afspreekplek is.
Ik moest inderdaad huilen. Om het afscheid, maar ook om de knuffel zelf.
We waren bij ons thuis niet van die knuffelaars. We spraken ook nooit over elkaar lief vinden. Het was de Drentse manier van doen: als er iets niet goed was hoorde je het wel. En als je niets hoorde zat het kennelijk wel goed.
Dat mijn vader trots op me was hoorde ik voor het eerst van zijn collega’s toen hij met de vut ging.
Pas later, toen ik al volwassen was, lukte het hem op het hardop tegen me te zeggen.

Ook de relatie met mijn broer was niet iets dat we onder de loep namen of bespraken. Jarenlang hadden we dezelfde buurtkinderen als vrienden, gingen we gezamenlijk met de bus naar dezelfde school en liepen onze levens min of meer parallel. Daarna raakten we elkaar kwijt. Andere mensen, andere paden, een ander leven.
Hoe erg ik dat vond kon ik niet met hem bespreken, daarvoor waren we te ver van elkaar afgedwaald.
En toen die knuffel. De gesprekken die daaraan voorafgegaan waren. De opluchting dat al die jaren van verwijdering niet echt iets hadden stukgemaakt. En nog belangrijker: dat we dingen konden uitspreken. Hoe ongemakkelijk het in het begin ook was. Want het Drentse zit natuurlijk nog diep in ons en onze opvoeding ook.
Ik klampte me aan hem vast en voelde hoe hij hetzelfde deed. Het huilen was deels van ontroering hierover.

Als ik al van tevoren over het einde van onze huidige vakantie had nagedacht, dan had ik me weer iets emotioneels voorgesteld. Knuffels en omhelzingen, tranen en beloftes om snel weer iets van elkaar te laten horen.
Maar daar was de Rona, die ons de laatste week al uit elkaar had gehouden, en ons had belet te doen wat we wilden.
We bleven angstvallig op afstand, en zeiden dat we elkaar graag hadden willen knuffelen, uitkeken naar de omhelzing. In plaats daarvan hielden we het bij een laf zwaaien. Tot ziens, tot hopelijk over een jaar, tot bellens, tot appcontact, tot wat we ook inzetten om verbonden te blijven.

Het voelde kil, kaal, onaf. Ik werd in gedachten teruggeworpen naar de uitvaart van mijn lief, in de vroege dagen van de eerste lockdown en hoe eenzaam en afschuwelijk die was, zonder troostende armen om ons heen en de aanwezigheid van zoveel mensen die hem lief waren.
Ik reed weg in tranen, om het missen en om die klote Rona die alles verpestte.

Maar dat we het abnormaal vonden om zo uit elkaar te gaan, dat het ongemakkelijk voelde om alleen naar elkaar te zwaaien, dat voelde als een troost. Kennelijk zijn we toch niet meer alleen maar die Nuchtere Noorderlingen van vroeger. Winst.
Er komt een nieuwe fysieke ontmoeting. Ik verheug me er nu al op.

 

Eén antwoord op “Afscheid”

  1. Pfff. Wat kun je het toch mooi vastleggen. En die Drentse roots, uiteraard 1 om trots op te zijn, het heeft het volk veel gebracht. Maar toch… iets van het uiten van gevoelens/genegenheid/vriendschap/liefde had er best bij in mogen zitten 😉

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.