Vervlogen zomers

‘Zullen we naar Trapel gaan?’
Ze zijn met playmobil aan het spelen, kleine Mien en een buurmeisje. Tot nu toe heb ik niet echt gelet op wat ze hun poppetjes laten zeggen, maar bij deze zin kijk ik op.
‘Dat is alleen maar het merk,’  hoor ik nog, maar ze blijft aandringen: ‘Kom, we gaan naar Trapel.’

Ter Apel. Ze spreekt de e niet uit, maar dat doen ze in het Gronings van de veenkolonieën waar ik ben opgegroeid ook niet. Het is lang geleden dat ik aan Ter Apel heb gedacht. Het einde van de wereld, helemaal nu er een uitzetcentrum is gevestigd. Maar in mijn jeugd stond de plaats voor twee dingen: de afstand die overbrugd moest worden om goedkoop in Duitsland te kunnen tanken en, belangrijker: de camping waar ik de meeste van mijn jeugdzomers doorbracht.

We gingen ieder jaar, eerst met een tent, daarna in een vouwcaravan en tenslotte in een caravan. We stonden er in zomers dat het zoveel regende dat mijn vader met de buurmannen goten groef rond de tenten om droge voeten te houden. En in stikhete zomers waarin alle flappen van de tent die enigszins omhoog of opzij konden werden opengegooid om in ieder geval nog wat frisse lucht te krijgen.
Wij gingen er als kinderen volstrekt onze eigen gang. Zodra ik wakker was trok ik mijn zwemkleding aan met een T-shirtje erover en begon ik aan mijn dag op de camping, om pas terug te komen als de honger me daartoe dwong.

De camping had alles: een groot meer, gratis toegang tot het grote gemeentezwembad, een speeltuin met bootschommels waar je onverantwoord hoog mee kon. Bij het toiletgebouw was een ouderwetse wringer waarmee je je handdoek die op de een of andere manier altijd in het water terecht kwam kon uitwringen. Je trof er altijd wel iemand die je kende, en het was de beste plek om alle roddels te horen. In de kampwinkel stond een mevrouw die precies chagrijnig genoeg was om een beetje bang voor haar te zijn en haar achter haar rug lekker gemeen na te doen.

Wij waren niet de enigen die ieder jaar terugkwamen. Het veldje naast ons was gereserveerd voor een hele buurt uit Hilversum. Ik vroeg me vaak af of ze op de camping in dezelfde volgorde naast elkaar ‘woonden’ als thuis. Een veldje verderop stonden mensen uit Groningen, uit de stad.
Ik zag mijn vriendinnen terug, met wie ik de rest van het jaar correspondeerde. Eenmaal terug in Ter Apel pakten we de draad moeiteloos op waar we vorig jaar waren gebleven.

Iedere avond kwam er een man langs met een fluitje voor het ‘Kleuterkwartier’ en een keer per jaar organiseerden de mensen op de camping een spelmiddag waarbij de kinderen langs alle tenten mochten voor spelletjes en lekkers. Op het Groningse veldje bakte iemand popcorn, die ze in koffiefilters serveerde. We waren blij met onszelf en trots dat we dit op poten zetten zonder enige inmenging van een professioneel animatieteam.

Terwijl ik op de computer surf voor belangrijke regeldingen, komen de beelden terug. Ik weet alles nog: mijn vader die meedeed aan “de sterkste man van de camping” en daarbij tijdens het zaklopen zijn teen brak en naar het meer strompelde om hem te koelen, de keer dat mijn zusje in paniek uit het  rubberbootje was gesprongen en mijn broer het hele meer moest overzwemmen om de afgedreven boot terug te halen, de disco waarop de jongen die ik leuk vond alleen maar met het populairste meisje danste. Zelfs het liedje waarop ze schuifelden komt naar boven.

Herinneringen aan lang geleden, toen ik nog geen wees was, of weduwe, toen ik nog niet wist dat het oké was om hardop te zeggen dat je schrijver wilde worden, toen het leven nog alle kanten op kon gaan.

Had ik het anders moeten doen? Een andere school, een andere studie? Een andere lief, eentje die wel met mij tachtig zou worden? Had dat überhaupt gekund? Had er ooit iemand anders zó bij mij kunnen horen als hij?

De meisjes zijn inmiddels buiten aan het spelen. Toch blijf ik nieuwsgierig naar hoe het buurmeisje bij Ter Apel kwam. Misschien is ze er onlangs geweest, misschien zelfs op dezelfde camping als ik destijds.
Ik kijk naar de playmobil die uiteraard niet is opgeruimd en kriskras door de kamer staat opgesteld. De grote bus waarmee de playmobilmensjes uiteindelijk naar Tsjechië zijn afgereisd staat op het kleed. Dan lees ik wat er op de zijkant staat en wat het buurmeisje onterecht voor een  vakantiebestemming heeft aangezien: Travel.

 

Eén antwoord op “Vervlogen zomers”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *