File

Ik had opgezien tegen deze dag, vanwege de lange rit die we nog voor de boeg hadden. Door een gepland uitje op de terugweg kwam het zo uit dat de laatste dag de grootste afstand moest worden overbrugd. Ik had geanticipeerd op een stijve nek, moeie benen en hoofdpijn van het ingespannen opletten.
Maar, hield ik mezelf voor, het was maar één dag en dan zouden we weer lekker in ons eigen huis zijn, met ons eigen lekkere bed, de vertrouwde poezen om ons heen en onze eigen ruimte.
En als we maar genoeg pauzes namen zouden we het heus wel overleven.

Tot we ineens, ergens tussen Hamburg en Bremen, stilstaan. Niet een beetje stil, met af en toe optrekken en een paar luttele meters maken, zoals bij wegwerkzaamheden (die file hadden we  al gehad), maar stil stil. Gestrand stil. Drie rijen auto’s dik, kilometers lang met een strook er tussen waar zich drie brandweerwagens doorheen spoeden naar… Ja, naar wat?
Een ongeval, vermoed ik en ik hou mezelf voor dat onze dag een stuk minder erg is dan die van de mensen voor wie we nu allemaal stilstaan.
Ondertussen wordt de situatie er niet beter op. We zijn moe en we worden chagrijnig. We willen naar huis en wel nu.

Overal zijn mensen uitgestapt. Er wordt geplast achter een bosje, en ouders delen water en broodjes uit aan hun kinderen. We puffen en zuchten. Het is warm op ons stukje snelweg. De vrachtwagenchauffeur uit Finland die achter ons staat is de enige die de motor stationair laat draaien, waarschijnlijk voor de airco.
Ik heb teveel van The Walking Dead gezien om niet een dystopisch gevoel te krijgen bij al die auto’s met open deuren, verlaten door hun eigenaren die inzagen dat ze niets aan hun voertuig hebben in tijden van echte nood.

Ik loop wat, lees wat, probeer mee te kijken met de film die de pubers hebben gedownload op hun telefoon. En ik wacht. Ik wacht en wacht en wacht.
Er komen een paar tieners voorbij op skates en een wakeboard. Ze hebben knuffels in hun armen die ze naar de wachtende mensen laten zwaaien. Ik wil ze vragen of ze naar het begin van de file zijn geweest en wat er precies aan de hand is. Alleen weet ik niet in welke taal ik ze moet aanspreken. Ik heb Duitse kentekens gezien maar ook Franse, Zweedse en Italiaanse.
Ik weet ook niet zeker of ik het wel echt wil weten. Ik wil zeker niet dat deze pubers die de file proberen op te vrolijken met hun malle knuffelapen het weten, het zien. Wat er ook gebeurd is. Want fijn is het vast niet.

Het duurt meer dan een uur voordat we verder kunnen rijden. Na een paar minuten zien we een enkele politie-auto staan, naast een smeulend hoopje en veel versplinterd glas. Naar wat er gebeurd is of hoe het is afgelopen kunnen we alleen maar raden.
Zo snel kan het gaan, zo snel kan wat een zorgeloze vakantiedag was omslaan in een zwarte bladzijde in je leven.

Ik kijk in de spiegel en naast me, en realiseer me hoeveel mazzel we hebben dat wij alleen maar de wachtenden waren, op de bloedhete snelweg.
‘We rijden weer!’ zeg ik zo opgewekt mogelijk.
‘Ja,’ krijg ik als antwoord, ‘mazzel dat we net van tevoren een plaspauze hadden genomen!’
Mazzel.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.